Onlangs zag ik een fragment van Nieuwsuur waarin verschillende zorgmedewerkers van het LUMC aan het woord kwamen: verpleegkundigen, baliemedewerkers en beveiligingsmedewerkers. Wat hen verbond: ze hadden allemaal minimaal één keer per week te maken met agressie. Schelden, intimidatie, dreigementen en soms zelfs fysiek geweld. Geen incidenten, maar een terugkerend patroon.
Na deze indringende verhalen verschoof de reportage naar een training waarin zorgmedewerkers leerden hoe zij met agressie moesten omgaan. Afstand houden. Rust bewaren. De-escaleren. Begrijpelijk, maar daarmee raken we verwijderd van de kern. De focus komt opnieuw te liggen bij wat zorgmedewerkers moeten kunnen, terwijl agressie in de zorg een maatschappelijk probleem is dat verder reikt dan individuele vaardigheden.
‘Het hoort erbij’
De cijfers onderstrepen dit al langer. Uit data van Stichting IZZ uit 2025 blijkt dat slechts één op de drie zorgmedewerkers melding maakt van agressie binnen de eigen organisatie. Twee op de drie doet dat niet, omdat het ‘erbij hoort’. Omdat we agressie in de zorg zijn gaan normaliseren. In geen enkele andere sector accepteren we dit. Agressie tegen winkelpersoneel, politie of openbaarvervoerpersoneel wordt terecht maatschappelijk veroordeeld. In de zorg lijkt agressief gedrag daarentegen steeds vaker iets waar men geacht wordt mee om te kunnen gaan.
Die norm zien we ook terug in hoe zorgmedewerkers met agressie omgaan. In de praktijk blijft het vaak bij het bespreken van incidenten met collega’s. Peer support is waardevol en noodzakelijk, maar het kan geen vervanging zijn voor duidelijke grenzen. Aangifte wordt meestal pas gedaan wanneer de situatie echt escaleert. Dat sluit aan bij hoe we agressie in de zorg vaak bekijken: als iets wat organisaties of individuele zorgverleners zelf moeten oplossen. Terwijl de vraag veel eenvoudiger is: welk gedrag vinden wij acceptabel tegenover mensen die voor ons zorgen?
Rollenspellen en extra beveiliging
Toch blijft de dominante reflex hardnekkig bestaan: trainen. Nog een cursus weerbaarheid, nog een rollenspel de-escalatie. Daarmee verschuift de verantwoordelijkheid opnieuw richting de zorgmedewerker. De aandacht gaat uit naar hoe zij reageren, terwijl de vraag naar welk gedrag wij als samenleving accepteren buiten beeld blijft. Dat werkt door in de praktijk. Extra beveiliging op zorgafdelingen is inmiddels eerder regel dan uitzondering. Kostbaar budget dat niet naar zorg gaat, maar naar het beheersen van gedrag dat nooit normaal had mogen worden.
Tegelijkertijd laten sommige zorgorganisaties zien dat grenzen stellen wel degelijk mogelijk is. Zij werken met een gele- en rodekaart-systematiek, waarbij verbaal geweld leidt tot een officiële waarschuwing en fysiek geweld tot tijdelijke ontzegging van toegang tot de zorginstelling, met uiteraard uitzonderingen voor spoedeisende en psychiatrische zorg. Daarnaast zijn er ook plekken waar instanties buiten de zorgorganisatie bijdragen aan het terugdringen van agressie. Zo hebben in Arnhem het Rijnstate-ziekenhuis en Openbaar Ministerie afgesproken om bij een aangifte de identiteit van zorgmedewerkers niet kenbaar te maken bij de agressor. Dat kan de drempel voor zorgmedewerkers verlagen om deze stap te zetten.
Wij eisen de zorg op
Maar zolang het vooral blijft bij wat individuele organisaties kunnen doen, is het onvoldoende. Eerder werd al geprobeerd het probleem maatschappelijk te adresseren met de overheidscampagne ‘Blijf jezelf, tel even tot 11’. De cijfers waren helder: agressie schaadt niet alleen zorgverleners, maar ook de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg. Toch resoneerde de campagne nauwelijks. Mogelijk omdat ook hier de nadruk bleef liggen op individuele zelfbeheersing, in plaats van op de norm die wij als samenleving stellen.
Wat nodig is, gaat verder. Net zoals ‘Wij eisen de nacht op’ het gesprek over vrouwenintimidatie fundamenteel kantelde, is een vergelijkbare omslag in de zorg noodzakelijk. Niet opnieuw de vraag hoe zorgmedewerkers met agressie moeten omgaan, maar waarom wij agressie tegen zorgverleners überhaupt blijven accepteren. Want zolang die norm niet verschuift, blijft de vraag niet óf het misgaat, maar wanneer.

