Persoonlijk verhaal

Moeder en dochter over hun burn-outs

Moeder Leonie en dochter Kim werken allebei in de zorg. En hebben allebei een burn-out gehad. Hoe kijken deze twee generaties naar burn-out in de zorg? ‘Voortdurend reflecteren op jezelf’, zeggen moeder Leonie (48), verpleegkundige in de wijk, en dochter Kim (26), leerling verpleegkundige in een ziekenhuis, bijna in koor. ‘Alleen zo houd je je eigen balans goed in de gaten. En kun je een burn-out misschien wel voorkomen.

illustratie twee vrouwen

Wat is jullie eigen ervaring met een burn-out?

Leonie: ‘In 2013 stopte mijn lichaam er plots mee. Ik kon niet meer vooruit en niet meer achteruit. Achteraf gezien herkende ik veel van de verschijnselen die bij een burn-out horen. Na het volgen van een traject bij een revalidatiecentrum ben ik er weer bovenop gekomen. Tijdens mijn tijd daar heb ik geleerd hoe je je leven in balans kan brengen én houden. Dat heeft ervoor gezorgd dat ik nu een gezonde en sportieve vrouw van 48 ben, die weet waar haar grenzen liggen.’

Kim: ‘Ik kreeg vorig jaar dezelfde klachten als mijn moeder. Op aanraden van haar ben ik bij hetzelfde revalidatiecentrum terechtgekomen en inmiddels gaat het weer wat beter met mij. Ook ben ik weer aan het werk, maar ik zie helaas veel andere collega’s worstelen met de verschijnselen van een burn-out.’

Waar ligt volgens jullie de oorzaak van burn-out in de zorg?

Kim: ‘Toch die werkdruk. Er is gewoon geen tijd voor een kop koffie of lunchpauze. Het moet allemaal snel en nu. Hierdoor zie ik collega’s steeds sneller emotioneel en negatief reageren. Ze zijn altijd moe en slapen slecht. Hierdoor zijn er al een paar collega’s uitgevallen en ik vrees dat er ook al een aantal tegen een burn-out aan zitten. Soms komen ze naar mij toe en vragen ze om een knuffel omdat ze het op dat moment niet meer trekken. Dat vind ik vaak heel lastig om te zien.’

Leonie: ‘Ik sluit me aan bij wat mijn dochter zegt over de werkdruk als mogelijke oorzaak. In mijn team zie ik nu gelukkig geen collega’s met een burn-out. Het scheelt dat wij heel goed op elkaar letten. Ook vragen we regelmatig aan elkaar hoe het gaat. Als we zien dat een collega te veel doet, grijpen we in. Die aandacht en eerlijkheid zorgen er misschien wel voor dat er in ons team juist niemand een burn-out heeft.’

Leonie, zie jij verschillen tussen het werk in de zorg vroeger en nu?

Leonie: ‘Vroeger werkten we net zo hard, maar was er veel minder druk van buitenaf. Je was bezig met de zorg en dat was het. Geen computers, geen scorelijstjes, geen gepraat over geld. Toen werden de mensen stokoud en perfect verzorgd. Nu is er een flinke administratieve kant bijgekomen die de werkdruk alleen maar verder opgehoogd heeft. De zorg aan de patiënt zelf is niet veranderd, het leven daaromheen wel.’

Hoe kunnen zorgmedewerkers beter hun grenzen aangeven?

Kim: ‘Het begint met het herkennen van je eigen grenzen. Op het moment dat je denkt “oh, help”, dat is het signaal dat het niet goed gaat. Bedenk dan eerst altijd of je deze taak nu echt móét doen of mág doen.’

Leonie: ‘Maak die signalen bespreekbaar. Alleen op die manier kan het taboe doorbroken worden. Het helpt uiteraard als je in een team werkt waarin je je veilig voelt en je een leidinggevende hebt die het voor het team opneemt.’

Kim: ‘Ik zeg altijd dat je eerst goed voor jezelf moet zorgen, want dan pas kun je goed voor een ander zorgen.’

Wat doen jullie zelf om je eigen welzijn op het werk in de gaten te houden?

Leonie: ‘Ik heb mijzelf aangeleerd om voortdurend op mezelf te reflecteren. Welke negatieve signalen merk ik op in mijn lichaam? Indien nodig doe ik een stap terug. Ook vraag ik mijzelf regelmatig af of ik het werk nog leuk vind. Zolang ik daar volmondig ja op kan antwoorden, dan is alles in orde.’

Kim: ‘Daar sluit ik mij bij aan. Als ik mij duizelig voel, dan weet ik dat het te veel is geweest. Op dat soort signalen blijf ik alert. Soms val ik terug in mijn oude valkuilen en dat hoort erbij. Werken aan jezelf blijft immers een levenslang leerproces.’

 

Hoe doorbreek je zelf het taboe van een burn-out?

1. Herken je eigen grenzen en geef deze eerlijk aan. Dit is in het belang van je eigen gezondheid.
2. Maak het onderwerp bespreekbaar bij je collega’s en je leidinggevende.
3. Motiveer ook collega’s om de rustmomenten te pakken waar ze recht op hebben.