Als er één sector is waar mensen hun werk met hart en ziel doen, dan is het de zorg. Jaarlijks onderzoek van IZZ¹ laat zien dat bijna zeven op de tien zorgprofessionals bruist van energie op het werk. Die bevlogenheid is bijzonder en onder zorgprofessionals bovendien hoger dan onder de gemiddelde Nederlandse werknemer. Tegelijkertijd kampt juist de zorgsector met een toenemend tekort aan personeel. Dat vraagt niet alleen om meer instroom, maar zeker ook om meer aandacht voor het behoud van de mensen die al bewust voor de zorg hebben gekozen.
In het debat over de arbeidsmarkt in de zorg krijgt het aantrekken en opleiden van nieuwe medewerkers veel aandacht. Dat is belangrijk, maar instroom alleen is niet genoeg. Zolang medewerkers uitvallen of de sector verlaten, wordt de druk op de rest van de mensen alleen maar groter. Daarbij wordt bevlogenheid soms gezien als onuitputtelijk. Maar die gedachte is gevaarlijk. Ook de meest bevlogen zorgprofessionals hebben een batterij die leeg kan raken. Als het werk dag na dag meer energie kost dan dat het oplevert, raken medewerkers uiteindelijk fysiek en mentaal uitgeput.
De vraag is daarom niet alleen hoe bevlogen medewerkers zijn, maar ook of zorgorganisaties in staat zijn de bevlogenheid en daarmee het werkplezier van hun medewerkers vast te houden. Werkplezier verdwijnt immers niet omdat medewerkers hun vak ineens minder belangrijk vinden. Ook medewerkers die bevlogen zijn hebben voldoende energiebronnen nodig om hun werk gezond en met plezier te kunnen blijven doen. Uit de Monitor Gezond Werken in de Zorg 2025 blijkt dat bijna een derde van de zorgmedewerkers vaak of altijd emotionele werkdruk ervaart. Ook heeft bijna een derde regelmatig te weinig tijd om het werk af te krijgen. Dan volstaat een vitaliteitsweek niet. Het vraagt om structurele aandacht voor de manier waarop het werk is georganiseerd.
Die aandacht sneuvelt vaak door de hoge werkdruk. Zo blijkt dat slechts de helft van de zorgmedewerkers vindt dat hun leidinggevende goed op de hoogte is van wat er speelt op de werkvloer, terwijl juist die aandacht belangrijk is om medewerkers bevlogen te houden. Voor zorgprofessionals onderling geldt hetzelfde. Door de waan van de dag komt de ruimte om elkaar te ondersteunen, hulp te vragen en van elkaar te leren onder druk te staan. Terwijl deze energiebronnen nodig zijn om het werk gezond en met plezier te kunnen blijven doen.
Ook psychologische veiligheid is hiervoor belangrijk. Medewerkers moeten hun zorgen en dilemma’s bespreekbaar kunnen maken, hulp durven vragen en samen van fouten kunnen leren, zonder bang te zijn voor negatieve gevolgen. Ontbreekt die ruimte, dan komt de bevlogenheid en daarmee het behoud van zorgprofessionals verder onder druk te staan.
De verantwoordelijkheid hiervoor ligt voor een groot deel bij zorgorganisaties. Zij hebben invloed op de omstandigheden waaronder bevlogenheid van zorgprofessionals kan blijven bestaan. Door medewerkers niet alleen aan te spreken op hun veerkracht, maar ook te investeren in mensgericht leiderschap en psychologische veiligheid, beschermen zij de bevlogenheid van zorgprofessionals. En daarmee het behoud van de mensen die bewust voor de zorg hebben gekozen. Zorgprofessionals willen betekenisvol werk doen en zijn bereid zich daarvoor in te zetten. Maar ook hun energie kent grenzen. De toekomst van de zorg hangt niet alleen af van hoeveel mensen voor het vak kiezen, maar vooral van de omstandigheden die maken dat zij voor de zorg blijven kiezen.






